Winnaars selecteren is moeilijk
Column Hendrik Meesman, 14 september 2009
Winnende beleggingsfondsen selecteren is erg moeilijk. Niet meer dan een paar procent weet op basis van kunde goede prestaties neer te zetten. En de winnaars van gisteren zijn zelden de winnaars van morgen.
Winnende beleggingsfondsen of vermogensbeheerders selecteren is erg moeilijk. Veel moeilijker dan op het eerste gezicht lijkt. Uit onderzoek weten we dat particuliere beleggers er bedroevend slecht in zijn. Bij beleggingsfondsen kijken zij vooral naar twee criteria: het recente rendement en de naamsbekendheid van de aanbieder. Dat leidt tot teleurstelling. De winnaars van gisteren zijn immers zelden de winnaars van morgen. Maar ook professionele beleggers, zoals pensioenfondsen, hebben de grootste moeite om echt superieur presterende beheerders te vinden. Ondanks het feit dat zij uit een enorm aanbod van vermogensbeheerders kunnen kiezen en daarbij de hulp inschakelen van een heel leger van interne en externe deskundigen, blijven aansprekende resultaten veelal uit. Zoals onlangs weer bleek uit een analyse van NRC Handelsblad naar de prestaties van Nederlandse pensioenfondsen in 2008. De meeste hadden slechter gepresteerd dan de voor hen relevante beursindex.
1 op 100
In ‘The Little Book of Common Sense Investing’ legt John Bogle, de oprichter van Vanguard (nu één van de grootste fondsbeheerders ter wereld), uit waarom het zo moeilijk is om beleggingsfondsen te selecteren die over de lange termijn consistent goed presteren. Hij doet dat aan de hand van de beleggingsresultaten van Amerikaanse aandelenfondsen tussen 1970 en 2005.
- In 1970 waren er in de Verenigde Staten 355 aandelenfondsen.
- 1 op 3. In 2005 bestonden 223 van de oorspronkelijke 355 fondsen niet meer. Bijna twee op de drie waren opgedoekt of met een ander fonds gefuseerd. Fondsen die verdwijnen zijn bijna altijd slecht presterende fondsen. Je kan er dus van uitgaan dat de 132 fondsen die het wel hebben overleefd tot de betere van de oorspronkelijke 355 fondsen behoorden.
- 1 op 5. Van deze 132 fondsen hebben 60 significant slechter gepresteerd dan de S&P 500 Index. Zij zijn tussen 1970 en 2005 meer dan 1% per jaar achtergebleven bij de S&P 500 Index. Samen met de 223 fondsen die van het toneel zijn verdwenen maakt dat al 80 procent dat zich niet heeft kunnen onderscheiden.
- 1 op 14. Van de nu nog resterende 72 fondsen presteerden 48 ongeveer gelijk aan de index d.w.z. tussen de 1 procent beter of slechter dan de index. Blijven over 24 fondsen (1 op de 14) die meer dan 1 procent per jaar beter scoorden dan de index.
- 1 op 40. Van deze 24 fondsen waren er 15 van wie de outperformance t.o.v. de index minder was dan 2% per jaar. Een resultaat dat volgens Bogle net zo goed aan geluk als aan wijsheid zou kunnen liggen. Blijven over 9 fondsen die er op lange termijn duidelijk bovenuit steken. Over een periode van 35 jaar de index met meer dan 2 procent per jaar verslaan is een geweldige prestatie.
- 1 op 100. Maar dan zijn we er nog helemaal. Want van deze 9 winnaars hebben 6 hun geweldige track record te danken aan reeds lang geleden behaalde superieure rendementen, toen ze veelal nog klein van omvang waren. Zij behaalden hun beste rendementen tussen de 12 en 24 jaar vóór 2005 (einddatum van het onderzoek). Na hun opvallende prestaties stroomde het geld binnen en gingen de resultaten achteruit. Sinds hun piek lang geleden wisten deze 6 fondsen de index per saldo niet meer te verslaan. Blijven er 3 fondsen over die over de lange termijn consistent goede resultaten hebben weten te behalen. Dat is minder dan 1 op de 100 beleggingsfondsen.
2% kunde
Opvallend is dat deze conclusie van John Bogle heel aardig in de buurt komt van wat wetenschappers concluderen uit onderzoeken die proberen vast te stellen in hoeverre beleggingsfondsen die succesvol (lijken te) zijn dat nou aan geluk of wijsheid te danken hebben. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogeheten False Discovery Rate, een statistische methode die wetenschappers gebruiken om statistisch significante uitkomsten te onderscheiden van uitkomsten die het resultaat zijn van willekeur. Anders gezegd, om geluk van wijsheid te onderscheiden.
Op basis van deze methodiek kwam een recent onderzoek naar 675 Britse aandelenfondsen (van 1975 tot 2002) tot de conclusie dat slechts zo’n 2 procent van alle aandelenfondsen op basis van kunde een beter resultaat dan de index wisten te behalen.¹ De overige fondsen die de index versloegen hadden gewoon geluk. Opvallend was dat vooral bij de ‘beste’ fondsen (de fondsen die de index verslaan) de false discoveries (d.w.z. de fondsen die geluk hadden) bijzonder hoog waren. Veel hoger dan bij de slechtste fondsen. Kortom, juist bij fondsen die goede beleggingsresultaten laten zien speelt geluk een grote rol en dient de belegger op z’n hoede te zijn.
De volgende 35 jaar
Terug naar Bogle. Wat John Bogle hierboven probeert duidelijk te maken is dat het identificeren van echt goede fonds- of vermogensbeheerders heel erg moeilijk is. Met een vluchtige blik op in het verleden behaalde resultaten (en zo kiezen de meeste beleggers beleggingsfondsen) ben je er nog lang niet. En dan heeft hij het over achteraf vaststellen wie de winnaars waren. De volgende vraag is natuurlijk wat dit zegt over de toekomst? Hoe waarschijnlijk is het dat de fondsen die in het verleden over een lange periode consistent goed hebben gepresteerd dit bewonderenswaardige kunstje ook in de toekomst zullen herhalen? Denk aan het feit dat succesvolle fondsen steeds meer geld aantrekken wat vroeg of laat tot mindere prestaties leidt. Zoals Warren Buffett het zegt: ‘A fat wallet is the enemy of superior returns’. Denk aan het feit dat er nieuwe beheerders zullen komen. Over een periode van nog eens 35 jaar zullen dat er in het gunstigste geval wel twee of drie zijn. Meestal meer - in de VS zit een fondsbeheerder gemiddeld vijf jaar op z’n stoel. Denk aan het feit dat marktomstandigheden veranderen. Wat onder bepaalde omstandigheden wel werkt, werkt onder andere omstandigheden wellicht niet. Hoe moet je hiermee omgaan? Bogle geeft het volgende advies: Ga niet op zoek naar de naald in de hooiberg. Koop de hooiberg!
¹ False Discoveries: Winners and Losers in Mutual Fund Performance. K. Cuthbertson, D. Nitzsche, N. O’Sullivan. January 2008.
Meer columns
Hendrik Meesman is directeur van Meesman Index Investments. In deze column geeft Hendrik Meesman zijn persoonlijke mening over een bepaald onderwerp. Dit hoeft niet de mening te zijn van Meesman Index Investments. De informatie in deze column is niet bedoeld als individueel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen. Vragen of reacties kunt u mailen naar h.meesman@meesman.nl.
