Aandelen voor de lange termijn (2)
Column Hendrik Meesman, 30 maart 2009
Vorige week ging het over het lange termijn rendement op Amerikaanse aandelen. Deze week een wereldwijde aandelenportefeuille.
De meeste onderzoeken naar lange termijn beleggingsrendementen spitsen zich toe op de Amerikaanse markt. Voor Amerikaanse beleggingen zijn immers ononderbroken reeksen van betrouwbare en representatieve gegevens beschikbaar die meer dan 100 jaar teruggaan. Voor de meeste andere landen geldt dit niet. Daar komt nu echter verandering in. Dat is een goede zaak. Het is immers de vraag in hoeverre de Amerikaanse markt ook maatgevend is voor bijvoorbeeld Nederlandse beleggers die hun aandelenportefeuille veelal wereldwijd spreiden. Kijken naar slechts één land (ook al heeft het verreweg de grootste financiële markten) geeft wellicht een vertekend beeld. De vorige eeuw was voor de Verenigde Staten immers een bijzonder succesvolle periode. Het groeide uit tot de grootste economie in de wereld en een politieke en militaire supermacht. Voor andere landen geldt dit niet.
Aandelen wereldwijd
Sinds enkele jaren is er een betrouwbare bron van lange termijn rendementscijfers voor 17 landen wereldwijd. De heren Dimson, Marsh and Staunton van de London Business School hebben de rendementen van de aandelen- en obligatiemarkten van deze landen sinds het jaar 1900 in kaart gebracht. De 17 landen vertegenwoordigden toen en nu meer dan 88 procent van de beurswaarde van aandelenmarkten wereldwijd. Op basis hiervan hebben zij ook een wereldwijde aandelenindex samengesteld, gemeten in Amerikaanse dollars.
Het gemiddelde jaarlijkse rendement op een wereldwijde aandelenportefeuille was als volgt:
Het rendement op Amerikaanse aandelen van 1900 t/m 2008 was 9,2% (na inflatie: 6,0%) en op Europese aandelen 7,7% (na inflatie: 4,5%). Over de afgelopen 109 jaar had een breed gespreide wereldwijde aandelenportefeuille dus wat minder opgeleverd dan een Amerikaanse aandelenportefeuille en wat meer dan Europese aandelen.
Wat is representatief?
Er wordt wel eens gezegd dat de lange termijn rendementscijfers worden vertekend door de uitzonderlijk goede beursjaren in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw. Het waren inderdaad goede tijden op de beurs (gemiddeld rendement na inflatie 10,6% per jaar). De jaren ’50 waren echter nog beter (gemiddeld rendement na inflatie 18,0% per jaar). En tegenover de goede tijden staan ook uitzonderlijk slechte tijden, zoals het begin van deze eeuw. Per definitie komen ‘uitzonderlijke’ tijden niet vaak voor. Of ze nou goed of slecht zijn. Beide zijn dan ook niet maatgevend voor het gemiddelde rendement dat op lange termijn reëel is om te verwachten. Daarvoor is het nodig om naar veel langere periodes te kijken, waarin zowel goede als slechte tijden zitten. De bovenstaande cijfers zijn echter zo gepresenteerd dat ook te zien is wat het gemiddelde rendement was als je de goede jaren (’80 en ’90 of zelfs de hele tweede helft van de vorige eeuw) weg laat.
Bear markets
De bovenstaande cijfers geven een indicatie van wat op lange termijn reëel is om te verwachten, maar gemiddelde rendementen zeggen niets over tussentijdse pieken en dalen. Wat dalen betreft was het slechtste (kalender)jaar voor een wereldwijde aandelenportefeuille 1931 met een verlies van -40,8% (na inflatie: -34,5%). En hieronder staat het verlies (gemeten als rendement na inflatie van hoogte- tot dieptepunt) gedurende de vier grootste bear markets (periodes van langdurig dalende beurskoersen) sinds 1900. Voor de huidige kredietcrisis weten we natuurlijk nog niet of het dal al bereikt is.
Een halvering van de koopkracht van het vermogen is dus iets dat zelfs met een wereldwijd gespreide aandelenportefeuille kan gebeuren. Maar alleen als u op het hoogtepunt instapt en op het dieptepunt uitstapt. Een periode die in het verleden nooit meer dan drie jaar heeft geduurd. Beleggen in aandelen doe je echter voor veel langer dan drie jaar. En dan ziet de worst case scenario er weer anders uit. Tussen 1900 en 2004 (cijfers t/m 2008 niet beschikbaar) was het slechtste rendement over een periode van tien (kalender)jaar -1,2% per jaar. Dat was van 1929 t/m 1938. En een periode van 20 of 30 (kalender)jaar met een negatief rendement is er niet geweest.
Column Hendrik Meesman, 30 maart 2009
Vorige week ging het over het lange termijn rendement op Amerikaanse aandelen. Deze week een wereldwijde aandelenportefeuille.
De meeste onderzoeken naar lange termijn beleggingsrendementen spitsen zich toe op de Amerikaanse markt. Voor Amerikaanse beleggingen zijn immers ononderbroken reeksen van betrouwbare en representatieve gegevens beschikbaar die meer dan 100 jaar teruggaan. Voor de meeste andere landen geldt dit niet. Daar komt nu echter verandering in. Dat is een goede zaak. Het is immers de vraag in hoeverre de Amerikaanse markt ook maatgevend is voor bijvoorbeeld Nederlandse beleggers die hun aandelenportefeuille veelal wereldwijd spreiden. Kijken naar slechts één land (ook al heeft het verreweg de grootste financiële markten) geeft wellicht een vertekend beeld. De vorige eeuw was voor de Verenigde Staten immers een bijzonder succesvolle periode. Het groeide uit tot de grootste economie in de wereld en een politieke en militaire supermacht. Voor andere landen geldt dit niet.
Aandelen wereldwijd
Sinds enkele jaren is er een betrouwbare bron van lange termijn rendementscijfers voor 17 landen wereldwijd. De heren Dimson, Marsh and Staunton van de London Business School hebben de rendementen van de aandelen- en obligatiemarkten van deze landen sinds het jaar 1900 in kaart gebracht. De 17 landen vertegenwoordigden toen en nu meer dan 88 procent van de beurswaarde van aandelenmarkten wereldwijd. Op basis hiervan hebben zij ook een wereldwijde aandelenindex samengesteld, gemeten in Amerikaanse dollars.
Het gemiddelde jaarlijkse rendement op een wereldwijde aandelenportefeuille was als volgt:
- Van 1900 tot 1950: 6,6% (na inflatie: 3,4%)
- Van 1900 tot 1980: 8,3% (na inflatie: 5,1%)
- Van 1900 tot 2000: 9,4% (na inflatie: 6,2%)
- Van 1900 t/m 2008: 8,4% (na inflatie: 5,2%)
Het rendement op Amerikaanse aandelen van 1900 t/m 2008 was 9,2% (na inflatie: 6,0%) en op Europese aandelen 7,7% (na inflatie: 4,5%). Over de afgelopen 109 jaar had een breed gespreide wereldwijde aandelenportefeuille dus wat minder opgeleverd dan een Amerikaanse aandelenportefeuille en wat meer dan Europese aandelen.
Wat is representatief?
Er wordt wel eens gezegd dat de lange termijn rendementscijfers worden vertekend door de uitzonderlijk goede beursjaren in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw. Het waren inderdaad goede tijden op de beurs (gemiddeld rendement na inflatie 10,6% per jaar). De jaren ’50 waren echter nog beter (gemiddeld rendement na inflatie 18,0% per jaar). En tegenover de goede tijden staan ook uitzonderlijk slechte tijden, zoals het begin van deze eeuw. Per definitie komen ‘uitzonderlijke’ tijden niet vaak voor. Of ze nou goed of slecht zijn. Beide zijn dan ook niet maatgevend voor het gemiddelde rendement dat op lange termijn reëel is om te verwachten. Daarvoor is het nodig om naar veel langere periodes te kijken, waarin zowel goede als slechte tijden zitten. De bovenstaande cijfers zijn echter zo gepresenteerd dat ook te zien is wat het gemiddelde rendement was als je de goede jaren (’80 en ’90 of zelfs de hele tweede helft van de vorige eeuw) weg laat.
Bear markets
De bovenstaande cijfers geven een indicatie van wat op lange termijn reëel is om te verwachten, maar gemiddelde rendementen zeggen niets over tussentijdse pieken en dalen. Wat dalen betreft was het slechtste (kalender)jaar voor een wereldwijde aandelenportefeuille 1931 met een verlies van -40,8% (na inflatie: -34,5%). En hieronder staat het verlies (gemeten als rendement na inflatie van hoogte- tot dieptepunt) gedurende de vier grootste bear markets (periodes van langdurig dalende beurskoersen) sinds 1900. Voor de huidige kredietcrisis weten we natuurlijk nog niet of het dal al bereikt is.
| Bear market | Rendement |
| 1929 - 1931, Wall Street beurskrach | -54% |
| 1973 - 1974, oliecrisis & recessie | -47% |
| 2000 - 2003, barsten IT luchtbel | -44% |
| 2007 - 2008, kredietcrisis | -53% |
Een halvering van de koopkracht van het vermogen is dus iets dat zelfs met een wereldwijd gespreide aandelenportefeuille kan gebeuren. Maar alleen als u op het hoogtepunt instapt en op het dieptepunt uitstapt. Een periode die in het verleden nooit meer dan drie jaar heeft geduurd. Beleggen in aandelen doe je echter voor veel langer dan drie jaar. En dan ziet de worst case scenario er weer anders uit. Tussen 1900 en 2004 (cijfers t/m 2008 niet beschikbaar) was het slechtste rendement over een periode van tien (kalender)jaar -1,2% per jaar. Dat was van 1929 t/m 1938. En een periode van 20 of 30 (kalender)jaar met een negatief rendement is er niet geweest.
Meer columns
Hendrik Meesman is directeur van Meesman Index Investments. In deze column geeft Hendrik Meesman zijn persoonlijke mening over een bepaald onderwerp. Dit hoeft niet de mening te zijn van Meesman Index Investments. De informatie in deze column is niet bedoeld als individueel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen. Vragen of reacties kunt u mailen naar h.meesman@meesman.nl.
